Zoölogisch Museum en Aquarium

4de jaar Wetenschappen — Economie — Humane

Vragenlijst

1.

Er is in de collectie (zeker in de afdeling met de ongewervelde dieren) een duidelijke volgorde aan te geven. Van de ... helemaal in het begin tot de ... op het einde. Welke logica steekt daarachter? (Waarom beginnen ze bijvoorbeeld niet met de insecten?)

2.

Het grootste gedeelte van de collectie wordt in beslag genomen door de gewervelde dieren, hoewel die wat het aantal soorten (in de natuur, niet noodzakelijk in dit museum) betreft maar een relatief klein belang hebben. Kun je minstens twee redenen opgeven waarom ze toch zoveel aandacht krijgen?

3.

De 'primitiefste' groepen zijn de sponsen (Porifera) en Holtedieren (Cnidaria of Coelenterata). Op het eerste zicht lijken het zelfs helemaal geen dieren! Hoe komt dat?
(Met andere woorden: wat hebben de andere diergroepen — die later in de evolutie zijn ontstaan — wél dat deze groepen niet hebben.)

4.

Bij de primitieve wormen, meer bepaald de platwormen (Platyhelminthes) en rondwormen (Aschelminthes), valt op dat heel veel soorten een parasitaire levenswijze kennen. Geef enkele voorbeelden.

Probeer een verklaring te vinden voor het feit dat je in deze groepen veel meer parasitaire levensvormen vindt, in vergelijking met bijvoorbeeld de ringwormen [Annelida]. Vrijlevende platwormen bijvoorbeeld zijn er maar erg weinig.

5.

Welke zijn de grootste vertegenwoordigers van de ongewervelde respectievelijk gewervelde dieren die je in deze collectie aantreft? (Noteer ook hun afmetingen, waarbij vooral het volume belangrijk is.) Verklaar dat het bezit van een inwendig skelet een organisme meer groeimogelijkheden biedt.
(In je antwoord moet je aandacht besteden aan de functie[s] van dat inwendig skelet, en aan de manier waarop diezelfde functie bij de ongewervelde dieren is gerealiseerd.)

6.

Het valt op dat op het land levende ongewervelden opvallend klein zijn in vergelijking met die welke in het water leven. (Noteer ook hier — en bij de volgende groep, de gewervelden — telkens de afmetingen van de grootste exemplaren!)
Hetzelfde geldt in de groep van de gewervelde dieren. Zie je daar een verklaring voor?
(Of anders gesteld: veronderstel dat de landdieren groter zouden zijn. Welk nadeel zouden ze dan hebben dat een in het water levend dier niet heeft?)
Een tip: je kunt dezelfde redenering toepassen bij de gewervelde dieren: een landdier van het formaat van de grootste waterdieren zou enorme moeilijkheden ondervinden. Welke? Wat gebeurt er bijvoorbeeld met een walvis die aanspoelt op het strand?)

7.

Ook de mens is in de collectie opgenomen. (Weliswaar niet als opgezet exemplaar, maar met een skelet en ook met enkele [afgietsels van] schedels van mensachtigen, die de evolutie van de mens illustreren.)
Tot welke diergroep (*) behoort hij?
Wat is de typische levenswijze van deze diergroep?
Som enkele kenmerken op die wij gemeenschappelijk hebben met de andere leden van deze diergroep. Of met andere woorden: waaraan kun je zien dat wij tot deze groep behoren?

(*) Met diergroep bedoelen we hier de orde. De orde is een verdere onderverdeling van de klas. Zo behoort de mens tot de klas van de zoogdieren.

8.

Ook bij de vissen (in de collectie boven en in het aquarium beneden) kun je evolutielijnen terugvinden. Vergelijk bijvoorbeeld eens de stand van de vinnen — alleen de 'gepaarde' vinnen, waarvan ze er een links en een rechts hebben — van haaien, coelacanth en/of longvis, zalmen, karpers en baarzen. Geef je waarneming weer in de vorm van een schets.

Voor alle duidelijkheid: met ‘stand’ bedoelen we de plaats waar de vinnen staan ingeplant op het lichaam.

Voor het antwoord op deze vragen moet je zowel boven in het museum als beneden in het aquarium rondkijken.

9.

Haaien zijn een heel oude diergroep: meer dan 200 miljoen jaar geleden zwommen er al haaien rond in de wereldzeeën, terwijl de meeste ‘moderne’ groepen minder dan 100 miljoen jaar geleden ontstonden. Opvallende en makkelijk waarneembare verschillen — die ze overigens delen met de roggen — ten opzichte van andere vissen zijn:
- de kieuwspleten;
- wat er gebeurt als ze niet actief zwemmen (dus stilliggen).
Welke verschillen kun je voor deze twee punten aangeven?

10.

Welke verschillen in lichaamsbouw stel je vast tussen vissen die in stromend water leven en vissen die in heel rustig, stilstaand water leven? (Maak eventueel een schets van de lichaamsvorm.)

Vragenlijst
Hoofdpagina school